GESCHIEDENIS 1526-1757
HET MOGUL/MOGOL RIJK
Rond 1700, onder Aurangzeb was het Mogul-rijk op zijn hoogtepunt. Het omvatte het huidige Pakistan, Bangladesh en het grootste deel van India. De islam was de grootste godsdienst in Bengalen. Aurangzeb had in zijn testament het rijk, om een bloedige oorlog over de opvolging te voorkomen, tussen zijn drie zonen verdeeld. Toch begon na zijn dood op 3 maart 1707 meteen een strijd om de troon. In 1739 kreeg het al wankele Mogol-rijk een rampzalige klap te verduren. De Perzische keizer, Nadir Sjah, trok met zijn leger Voor-Indie binen. In 1739 kwam hij tegenover het leger van Mohammed Sjah te staan, dat hij zonder veel moeite versloeg. Een maand later bereikte hij Delhi, waar hij de choetba in zijn naam liet lezen. Bij de rellen die volgden doodden de Perzische troepen meer dan 30.000 mensen. Mohammed Sjah werd gedwongen om genade te vragen. De Perzische keizer was bereid zich terug te trekken, maar pas nadat Mohammed Sjah hem de sleutels van de koninklijke schtakamers had overhandigd.
In 1756 werd Delhi opnieuw aangevallen, dit keer door de Afghaanse leider Ahmed Shah, die eerst de Punjab had bezet. In hun wanhoop riepen de Moguls hun vroegere vijanden, de Mahratten, te hulp. In de derde slag bij Panipat, op 7 januari 1761, werden de Mahratten verpletterend verslagen. Vele duizenden van hen werden gevangengenomen. Ahmed Sjah was echter nooit in staat te regeren. Zijn soldaten begonnen te muiten omdat zij geen soldij kregen en hij was gedwongen terug te keren naar Afghanistan.
Vanaf het einde van de vijftiende eeuw hadden Europese kooplieden naar nieuwe zeeroutes van Voor-Indië en Zuidoost-Azië gezocht om te profiteren van de bloeiende handel in specerijen en ander luxe waren. Na de ontdekking van de zeeweg naar Indië door de Portugese zeevaarder Vasco da Gama (1498) die, zoals hij zei op zoek was naar "christenen en specerijen". Hij werd gevolgd door handelslieden en missionarissen. Deze legden onder andere aan bij Chittagong en Hoogly (Calcutta). Akbar verzette zich tegen hun zeeroof en slavenhandel en maakte van het dorp Dhaka in 1582 een militaire vesting en vlootbasis.
Het Portugese monopolie in dit gebied werd in het begin van de zeventiende eeuw gebroken door Hollandse en Britse handelaren. Beide landen richten een concurerende Oost-Indische Compagnie op voor de handel met Voor-Indië en Zuidoost-Azië. In het midden van de 17de eeuw traden de Nederlanders in hun plaats, die op de kusten van Malabar en Coromandel verschillende nederzettingen hadden. Terwijl de Hollanders zich op de specerijenhandel in Zuidoost-Azie concentreerden, richten de Britten hun aandacht vooral op Voor-Indie.
De kooplui van de Vereenigde Oost-Indische Compagne (V.O.C.) waren net als de Britten welkom, omdat zij alleen kwamen om handel te drijven. Al snel mocht de V.O.C. een eigen kantoor en fort bouwen aan de monding van de Ganges en later kwam er zelfs een V.O.C.-vestiging in Dhaka. De V.O.C. had 750 zijdewevers onder contract. In de Hollandse kantoren was het een vrijgevochten bende. Corruptie en zelfverrijking waren aan de orde van de dag.
In december 1612 vestigden de Britten hun eerste factorij in Voor-Indie, in Surat aan de Westkust. Tegen 1690 had de Britse East India Company zijn invloed over heel Voor-Indie uitgebreid en nederzettingen gesticht in Madras, Bombay en Calcutta. In die tijd had het Mogol-rijk onder Aurangzeb nog veel macht, dus moesten de Britten de Keizer om handels privileges vragen en rekening houden met zijn gezag.
Weldra kregen ook de Engelsen er vaste voet. Tegen de achtergrond van het verval van het grote Mogul rijk konden de Europeanen hun invloed uitbreiden en het ontstane machtsvacuüm opvullen. Het Rijk van de grootmogol was steeds meer achteruitgegaan, onderscheiden staten hadden zich onafhankelijk gemaakt. De Engelse Oost–Indische Compagnie oefende van 1624 af tevens staatkundige macht uit.
Ook de Franse Oost–Indische Compagnie ontwikkelde zich snel en verwierf Pondicherry en Chandernagore in Bengalen en tijdelijk ook Madras.
Engeland wist door verschillende veroveringen onder Lord Clive zijn gebied steeds meer uit te breiden. In 1756 was Bengalen echter een min of meer onafhankelijk koninkrijk onder een nieuwe, jonge vorst, Sirad-ud-Daulah, geworden. Omdat hij zich bedreigd voelde door de Britten, trok hij aan het hoofd van een groot leger naar Calcutta op. Het Britse garnizoen werd overweldigd. De Britse luitenant-generaal Robert Clive werd naar Calcutta gestuurd om de stad te heroveren. In juni 1757 kwam hij in de slag bij Plassey tegonover Sirads leger te staan. Sirad wer verslagen en zelf gevangengenomen en gedood. Er was echter geen sprake geweest van een fel gevecht, want Clive had met een van Sirads aanvoerders, Mir Jafar afgesproken dat deze het grootste deel van Sirads troepen buiten de slag zou houden. In tuil daarvoor zou Mir Jafar in plaats van Sirad vorst van Bengalen worden. Door het winnen van deze slag verwierven de Britten de eerste territoriale rechten in Bengalen. Daarna dwong Clive de Fransen tot terugtrekking.
In feite kwam de macht over Bengalen bijna geheel in handen van de Oost-Indische Compagnie. Heden ten dagen wordt Mir Jafar nog steeds gebruikt als scheldwoord.
