1971 ad - HEDEN
BANGLADESH HEDEN TEN DAGEN
De politieke terreur duurde evenwel voort, zowel van de kant van extreem orthodoxe islamitische groepen en linkse mauïsten als van 'mujibisten'. De wijdverbreide, nauwelijks bestreden corruptie en ernstige overstromingen en hongersnood (aug. 1974) verergerden de situatie.
Ook binnen het leger bestond ontevredenheid: in augustus pleegde een groep jonge majoors een staatsgreep, waarbij de vader des vaderlands (Banga Bandu) Mujib en zijn vrouw een aantal van hun kinderen werden vermoord. Het was de eerste van een serie van drie staatsgrepen dat jaar.
Khondakar Mushtaq Ahmed, een pro-Westerse Awamiligaleider, werd president. De machtsstrijd binnen het leger leidde tot tegencoups op 3 nov. 1975, waarbij vele politici omkwamen, en op 7 nov., waarbij Khondakar Mushtaq Ahmed als president werd vervangen door de voormalige president van het Hooggerechtshof, Abusadat Mohammed Sayem. De bevelhebbers van landmacht, luchtmacht en marine kwamen als de werkelijke machthebbers naar voren.
Bij de derde staatsgreep dat jaar werden de parlementsverkiezingen werden uitgesteld en er werd een militair bestuur afgekondigd. In december 1977 werd legergeneraal Zia ur-Rahman president. Een maand later sprak het volk van Bangladesh zich per referendum uit vóór diens aanblijven. Hij herstelde het meerpartijensysteem en zette de Bangladesh National Party op. Omdat het hem niet lukte een brede politieke basis te creëren, deed hij vaak een beroep op conservatieve islamitische politici. In 1978 werd de islam staatsgodsdienst. Zia won de verkiezingen van 1979 met een overweldigende meerderheid. Hij trok veel macht naar zich toe en bekleedde de posten van staatshoofd, hoofd van het leger, regeringsleider én BNP-voorzitter.
In 1981 werd Zia door een legerofficier uit de kringen van de vrijheidsstrijders tijdens een mislukte militaire coup vermoord. Toen er niet echt iemand was om hem op te volgen, werd vice-president Justice Abdus Sattar, namens de de regerende BNP waarnemend president. Hij bleef vier maanden aan. De regering-Sattar werd in 1982 in een niet-gewelddadige coup aan de kant geschoven, na een jaar van toenemende instabiliteit. De militairen onder leiding van Mohammad Ershad namen de macht over, riepen de noodtoestand uit en plaatsten de grondwet buiten werking. In dec. 1983 benoemde Ershad zichzelf tot president. Onder de regering-Ershad vond een belangrijke koerswijziging plaats in de economische politiek: deze werd gericht op het stimuleren van buitenlandse investeringen en private ondernemingen.
In het jaar 1982 wijzigd de schrijfwijze van de naam van de hoofdstad van Dacca in Dhaka.
In 1983 werd de roep tot terugkeer naar democratie sterker. De oppositie organiseerde zich. Ook het regime trachtte door de vorming van de Janadal-partij (later Jatiya-Dal) in 1983 steun onder de bevolking te verkrijgen. De parlementsverkiezingen in mei 1986 werden gewonnen door de Jatiya-Dal van Ershad, die in okt. 1986 zelf werd gekozen als president (kort daarvoor had hij zijn militaire functies opgegeven). Aan de vooravond van de parlementsverkiezingen werd de noodtoestand opgeheven en de - gewijzigde - grondwet weer van kracht. In 1987 werd deze liberalisering weer teruggedraaid, nadat de hevigste overstromingen sinds 40 jaar Bangladesh hadden getroffen. Ook toenemende politieke onrust vormde de aanleiding tot het opnieuw uitroepen van de noodtoestand. De parlementsverkiezingen van 1988 werden mede als gevolg van een boycot van de oppositie ruimschoots gewonnen door de Jatiya-Dal.
In 1987 besloten de BNP, waarvan Zia's weduwe Khaleda Zia inmiddels de leiding over had genomen, en de AL, geleid door Mujib's dochter Sheikh Hasina, samen te werken om Ershads regering omver te werpen. Eind 1990 verenigden de studentenafdelingen van de twee grote partijen zich in de anti-Ershad All-Pary Students Alliance. Op 5 december 1990 moest Ershad aftreden na een periode van hartals (door staking lamleggen van het openbare leven) en blokkades. Hij werd gearresteerd en veroordeeld wegens corruptie. De eerste eerlijke parlementaire verkiezingen van Bangladesh werden gehouden op 27 februari 1991. Ongeveer 33 miljoen mannen en 29 miljoen vrouwen togen naar de stembus. De BNP haalde de meeste zetels in het parlement en Begum Khaleda Zia trad aan als premier.
De economische toestand verslechterde, toen als gevolg van de Golfcrisis ca. 85.000 Bengaalse arbeidsmigranten terugkeerden uit Koeweit en Irak.
Ondanks het aantreden in maart 1991 van een nieuwe regering onder leiding van Kholeda Zia van de Bangladesh Nationalistische Partij (BNP) en het herstel van de parlementaire vrijheden (verkiezingen 15 sept. 1991) veranderde de onderdrukking van de moslimminderheid in de deelstaat Arakan niet. Van eind 1991 tot eind 1992 vluchtten ca. 300.000 Rohingya's naar Birma.
Het duurde tot 1991 vooraleer Bangladesh, na 15 jaar militaire dictatuur, de eerste vrije verkiezingen sinds zijn onafhankelijkheid kon houden. De Islamitische Jamaat-e-Islami behaalde toen 12% van de stemmen (in 2001 nog slechts 4%). In 1991 wint de BNP de verkiezingen en Begum Khaleda Zia, weduwe van wijlen president Ziaur Rahman, wordt de nieuwe president. In de daaropvolgende verkiezingen in 1996 wint de Awami League en gaat de presidentstitel over op Sheikh Hasina Wajed, dochter van de vermoorde president/Sheikh Mujibur Rahman.
De eerste helft van de jaren negentig werd ook verder gekenmerkt door politieke onlusten en gewelddadige stakingen, die voortkwamen uit onvrede met het beleid van premier Khaleda Zia. De parlementsverkiezingen van febr. 1996 leverden echter toch een grote overwinning op voor de regerende BNP. Op grond van grove onregelmatigheden eiste de oppositie, daarin gesteund door internationale waarnemers, nieuwe verkiezingen. Onder toenemende maatschappelijke druk diende premier Zia eind maart haar ontslag in. Een interimregering schreef voor midden 1996 nieuwe verkiezingen uit, die met een absolute meerderheid werden gewonnen door de Awami Liga van Hasina Wajed (zie foto links), die ook de nieuwe premier werd. In okt. 1996 werd president Biswas opgevolgd door Shahabbudin Ahmed van de Awami Liga. De economische opleving in de jaren 1993-1996 werd echter getemperd door de vele stakingen. Inefficiënte staatsbedrijven bleven de economie domineren, ondanks aanzetten tot liberalisering.
In 2001 vonden opnieuw verkiezingen plaats, die een grote overwinning opleverden voor de BNP, die daartoe een politieke alliantie met enkele kleinere partijen had gesloten. De beide politieke leidsters wisselden van positie; Khaleda Zia is opnieuw premier.
Op 17 augustus 2005 werden tientallen steden in Bangladesh opgeschrikt door bomaanslagen. Vrijwel gelijktijdig ontploften ca. 400 kleine explosieven in bijna alle 64 Bengaalse districten. Zekere twee mensen kwamen om en meer dan 130 mensen raakten gewond.
In de getroffen steden werden pamfletten gevonden waarin de autoriteiten in het Arabisch en het Engels werden opgeroepen om de islamitische wetgeving in te voeren. Andere vlugschriften riepen de Amerikanen en de Britten op om hun troepen uit landen als Irak en Afghanistan terug te trekken.
Volgens de autoriteiten waren de pamfletten afkomstig van de radicale moslimbeweging Jamaytul Mujahideen, die in februari werd verboden naar aanleiding van een serie aanslagen op onder meer tempels.
Zoals je kunt zien, heeft de (politieke) geschiedenis van Bangladesh veel te maken met de staat waarin het land momenteel verkeert. Maar om de werkelijke oorzaken van de aanhoudende armoede te doorzien, moet je verder kijken dan wie wanneer de macht in handen had. Hier spelen ook factoren als cultuur, klimaat, en geografische ligging een onmiskenbare rol!
